Na mijn studie ging mijn meeste belangstelling uit naar de kleine scheepsbouw of nog liever de jachtbouw. De eerste baan was daarom als tekenaar op het jachtarchitectenbureau ARCO Yachts in Hilversum. In die tijd kreeg ik ook contact met de Stichting Ronde- en Platbodemjachten. De Stichting was toen bezig een boek uit te geven over deze schepen en ik heb toen een drietal bestaande schouwen opgemeten en in de avonduren deze boten op papier gezet voor het bekende boek over Ronde- en Platbodemjachten. Na enige jaren bij ARCO Yachts gewerkt te hebben verhuisde ik naar Groningen waar ik een baan kreeg als tekenaarconstructeur bij scheepswerf Kerstholt aan de rand van de stad Groningen. Dit was een bijzondere werf. Er werden coasters en andere bedrijfsvaartuigen gebouwd maar ook, voor die tijd, grote jachten terwijl ze tevens nog een afdeling houten sloep- en bootbouwerij hadden. Op de tekenkamer kwam ik naast dhr Wim van Cappellen te staan waar ik goed bevriend mee raakte. Tot ieders verrassing sleepte de werf na enige tijd een opdracht binnen voor een groot motorjacht voor prins Rainier van Monaco. Wim en ondergetekende kregen toen de opdracht om alle constructie- en afbouwtekeningen te maken. In die periode besloot ik een bootje voor mijzelf te bouwen. Ik kreeg toestemming van de werfdirectie om in een achterafhoekje van de werf een casco te bouwen in ruil voor het vele overwerk. Het werd een zeeschouwtje van 6,50 meter lengte. Het afvalhout en een afgekeurde kooi van het prinselijk jacht verdwenen in mijn bootje. Toen de ALBECARO te water ging had de prinselijke familie geen tijd om het schip te dopen, dat kwam later wel bij de proefvaart. Maar, oh bijgeloof, bij de technische proefvaart ging het mis. In de machinekamer brak brand uit en het schip werd de haven van Delfzijl binnengesleept. Intussen was ook duidelijk geworden dat het met de werf financieel niet goed ging. Ik besloot ontslag te nemen en thuis als jachtontwerper voor mezelf te beginnen. Eigenlijk deed ik dat al een hele tijd in de avonduren. Enige maanden later ging de werf failliet en stonden ook mijn collega’s op straat. Ik had intussen al wat opdrachten en kreeg bovendien veel belangstelling voor de tekeningen van mijn eigen bootje. Dit laatste betekende het begin van een serie zeeschouwen vanaf 6,50 tot 10,00 meter lengte waarvan ik in de loop der jaren een k1eine 400 tekeningen heb verkocht. Om de doe-het-zelf markt en kleine werfjes te kunnen leveren had ik het lijnenplan zo ontworpen dat ik op tekening plaatuitslagen mee kon leveren. Toen ik een half jaar bezig was werd ik gebeld door een ex studiegenoot uit Hoogezand. Hij was directeur van een scheepswerf in Hoogezand die was aangesloten bij het ontwerp- en tekenbureau CONOSHIP (combination northern shipbuilders) in Groningen. Dit was een samenwerkingsverband van 14 noordelijke werven. Hij vroeg me om daar te komen werken als constructeur. Ik wilde eigenlijk niet, maar na lang aandringen, ze hadden het druk, kwamen we overeen dat het van tijdelijke aard was om een lopend project af te maken. Ik heb daar een half jaartje gezeten en ben daarna weer voor mezelf gaan werken. Na een jaar werd ik weer door CONOSHIP gebeld. De combinatie had in één contract 10 schepen aangenomen voor een rederij in de toenmalige DDR en verzocht mij om gedurende de bouw van deze schepen op 10 verschillende werven in Groningen en Friesland de werkzaamheden te willen coördineren. Omdat het weer tijdelijk was en totaal iets anders besloot ik dit aan te nemen. Het werd een fascinerende en leerzame periode. We praten dan over 1965 en de Oost-Duitse muur zat nog potdicht. Er kwam een zware delegatie bouwtoezicht (zonder familieleden) permanent in Hoogezand te wonen en die waren op z’n zachtst gezegd behoorlijk streng. Ook moesten de schepen gebouwd worden volgens de eisen van de Oost-Duitse classificatiemaatschappij en de DDR scheepvaartinspectie. Ook deze voorschriften waren in veel opzichten uitgebreider en stringenter dan de ons normaal bekende regels. Zo vroeg het bouwtoezicht op zekere dag: Herr Hoitema, waar blijft de tekening geluidsisolatieplan? U kent toch onze geluidsvoorschriften! Eerlijk gezegd kende ik die niet en zelfs niemand van ons. Maar al gauw bleek dat in die tijd (1965) in het gehele Oostblok ten behoeve van de “Volkseigene” bedrijven zeer strenge geluidsnormen van kracht waren. We kregen die voorschriften dus snel in handen maar niemand van ons wist wat een decibel was, laat staan hoe deze te meten en wat we daar aan moesten doen. Dus op zoek naar een deskundige. Gelukkig vonden we een adviesbureau op dit terrein en hebben deze man, het was een eenmansbedrijf, aangesteld als onze adviseur en begeleider tijdens de bouw. Omdat in die periode ook nog niet zoveel materiaal te krijgen was hebben we veel geëxperimenteerd en zelfs moeten improviseren met glaswol en grote slabben daklood uit de woningbouw. Pas jaren later werden internationaal geluidsnormen uitgegeven. Na een jaar bouwtijd werd het laatste schip van de 10 coasters afgeleverd en werd mij een functie op de ontwerpafdeling aangeboden. Door de drukte had ik mijn werkzaamheden thuis wat verwaarloosd en besloot ik deze nieuwe functie aan te nemen. Toen mijn baas na paar jaar met pensioen ging werd ik hoofdontwerper. Ondanks mijn oorspronkelijke voorkeur voor de jachtbouw was dit zo’n interessante baan dat deze niet te weigeren was. Begin jaren’70 werd door CONOSHIP de firma Centraalstaal opgericht. Ook daar kreeg ik toen mee te maken. Besloten werd de constructietekenkamer over te hevelen naar Centraalstaal en de ontwerpafdeling te vergroten en bij CONOSHIP te laten. Ik werd hoofd van de gehele ontwerpafdeling en kreeg te maken met allerlei soorten schepen zoals zeegaande vrachtschepen en tankers, binnenvaartschepen, baggervaartuigen, visserijschepen, passagiersschepen voor binnen- en buitenvaart, sleepboten, supply vessels en nog vele andere vaak ook heel speciale schepen, zowel voor binnen- als buitenland. En met 14 bouwwerven gaat er dan heel wat aan je voorbij, moeilijke ontwerpen maar ook leuke dingen zoals tewaterlatingen, proefvaarten, etc. Maar helaas ging het met de scheepsbouw in de loop der jaren commercieel gezien niet altijd even goed. De betere tijden werden met steeds kortere regelmaat gevolgd door langdurige slechte tijden. In het midden van de jaren’80 ging het helemaal mis. Er gingen enkele werven failliet, een aantal stopten of fuseerden en bij CONOSHIP moest er ook wat gebeuren. De aardigheid was er af. Een van de werfdirecteuren adviseerde mij om er uit te stappen. Hij was commissaris bij een grote jachtwerf en zou voor een leuke opdracht zorgen als ik weer voor mezelf wilde beginnen. Ik heb die raad opgevolgd en begon in 1986 weer met een eigen ontwerpbureau. De eerste opdracht was een dubbelschroef rondspant moterjacht van ±15,00 meter lengte gevolgd door twee kotters van 12,00 meter voor particulieren. Een van deze particulieren was een vriend van me uit de scheepsbouw die de laatste 20 jaar als bedrijfsleider bij een grote jachtwerf had gewerkt. Hij zei dan vaak tegen me: Lammert je moet eens een leuke nieuwe boot ontwerpen want alles lijkt nu op elkaar. Ik hoorde dit soort geluiden wel vaker en had toen al wat ideeën in mijn hoofd waarbij dan vooral het karakter en de kennis uit de bedrijfsvaartuigen een uitgangspunt was. De BARKAS Met de eerste ontwerpen als zelfstandig jachtontwerper moest ik ontzettend wennen aan het grote verschil tussen de scheepsbouw en de jachtbouw. Zoals we bij scheepsontwerpen vaak de beschikking hadden over uitgebreide documentatie, ervaringscijfers, technische gegevens, onderzoek resultaten en de nodige formules blijkt dat in de jachtbouw een stuk minder te zijn. Toen ik in 1987 besloot om het bestaande idee voor een totaal nieuw ontwerp verder uit te werken had ik dan ook de neiging om mijn ervaring uit de scheepsbouw wat meer te laten gelden. Ik stelde in eerste instantie een eisenpakket samen waaraan het schip zou moeten voldoen. Daarbij promoveerde ik mezelf als een toekomstige opdrachtgever. Het eisenpakket was in het kort als volgt: • Het schip moet een `stoere’ uitstraling hebben. • De vaareigenschappen en een mooie rompvorm staan centraal. • Geluidsniveau zo laag mogelijk, primair door preventie en secondair door isolatie. • Voortstuwingsinstallatie berekenen op zo gunstig mogelijk rendement. • Het woon/leefgedeelte gelijkvloers met uitzicht rondom voor alle opvarenden. • Stuurhuis/salon centraal met grote open kuip. Uiteraard moet het beestje ook een naam hebben. Ik ging toen zoeken naar een scheepsnaam uit het verleden die niet of nauwelijks meer in gebruik was. Het karakter van dat type schip moest wel een uitgangspunt kunnen zijn. Ik kwam toen op de naam BARKAS en ging me wat verdiepen in dit type schip. Ik heb vroeger nog een tijdje op de grote vaart gezeten en wist dat in de haven van Hamburg veel barkassen voeren die overal voor gebruikt werden. In februari 1987 las ik in De Telegraaf een advertentie waarin een houten casco van een BARKAS te koop werd aangeboden. Direct er naar toe gereden, ergens bij een boerderij in de buurt van Franeker. Het schip stond bij een oprit en was dus goed te bekijken. Een goede rompvorm voor een verplaatser: een stevige volle kop en een goed geveegd achterschip (bijlage 1). Behalve het bouwjaar 1910 was er niets bekend over de herkomst. Toen op een mooie dag een ritje naar Den Helder naar het Marinemuseum en de Marinehaven. Uiteraard kon ik niet dicht bij de schepen komen maar vanaf de overkant van het water zag ik duidelijk de barkassen aan boord van een fregat staan. Natuurlijk de verrekijker meegenomen en alles goed bekeken.
In die tijd was ik bestuurslid bij het Groninger Scheepvaartmuseum. Een medebestuurslid, ex kapitein, had een enorme kennis over scheepstypen en thuis een indrukwekkend privé archief. Op mijn verzoek heeft hij alles wat hij kon vinden over de BARKAS naar mij toegestuurd. Hierbij was een stukje uit de maritieme encyclopedie waarvan bijgaand een kopie (Bijlage 2). Mijn besluit stond vast: het schip zou EEN BARKAS worden. |